Column voorgelezen in Thorn Metronoom
Zondag 11 december 2011
SMARTLAPPEN ZONDER NAAM

Om het heel eerlijk te zeggen heb ik thuis niet zo erg veel platen van de Zangeres zonder Naam. Nu ja, ik heb er eigenlijk tamelijk weinig. En als ik de waarheid en niets anders dan de waarheid moet spreken, dan heb ik zelfs geen. Het genre van smartlap en levenslied ligt me niet zo. Ik vindt het een beetje onwerkelijk en – wat erger is – onwaar. En mocht u mij daarom een elitaire snob vinden, ga gerust uw gang.
Wij hadden vroeger thuis café. Het wilde wel eens voorkomen dat de een of andere klant na een volle dag gestaag doordrinken ’s avonds laat door zijn vrouw moest worden opgehaald. Dat was heel dramatisch. En heel tragisch ook. De vrouw pakte haar stomdronken echtgenoot bij de kladden en leidde hem met vaste hand naar de voordeur. Ze huilde. Ze vloekte soms. En ze wist zeker dat ze hem thuis de hersens in zou slaan, hoewel ze ook zeker wist dat ze dat uiteindelijk niet zou doen.
Nooit, maar dan ook nooit heb ik meegemaakt dat de arme en vernederende vrouw spontaan op een stoel sprong om, terwijl het hele café meezong, deinend en walsend te zingen:
Ach vaderlief toe drink niet meer
Ik vroeg het al zo menig keer
Want moesje lief huilt telkens weer
Ach vaderlief, toe drink niet meer
Zoiets gebeurde nooit. Zoiets werd alleen gezongen door een zangeres die geen naam had, maar van wie iedereen wist dat ze Mary Servaes heette, geboren Beij nog wel.
Niks aan die liedjes klopte. Neem nu eens:
Aan het strand stil en verlaten
Bij het scheem’ren van de maan
zag men daar een aardig paartje
zeer van weemoed aangedaan
Eerst moet je erachter zien te komen of dat paartje een shetlandse pony of een jong stel is. En als je eenmaal weet dat het om twee gelieven gaat, kun je niet langer volhouden dat het strand stil en verlaten is, want er lopen minstens twee mensen rond. En hoe kun je nou bij het schemeren van de maan zien dat dat paartje zeer van weemoed is aangedaan?
Als een smartlap niet gezongen wordt, is het geen smartlap meer. En blijft er van de tekst niks meer over. Want stel nu eens dat onze zeer gewaardeerde stadsdichter van Thorn, zich hier op het podium van Metronoom waagde met de volgende poëtische ontboezeming:
Iedereen vond jou zo’n lieve engel
Iedereen vond jou zo´n lieve schat
Vreemde mensen zeiden honderd malen
Dat jij zulke mooie ogen had
Kind, ik moet niet aan die uren denken
Als ik naar je blinde ogen kijk.
Thorn zou te klein zijn. En u, allemaal, zou stampvoetend van woede deze zaal verlaten, uw geld terug eisen en Peter5 Bokken iets aandoen.
Het was trouwens niet alleen de Zangeres zonder Naam die door zich het woud van sentiment en door het dal der tranen bewoog.
Want vlakbij Stramproy waar ze zo lang woonde, lag Weert en daar kwamen de Selvera´s vandaan. Weet u nog?
Een blond gelokte jonge jager
Kwam ´s morgens van de jacht terug
Een lieve meid, naar schatting achttien lentes
Ontmoette hij daar bij de brug
Twee reebruine ogen, die keken de jager aan
Twee reebruine ogen die hij niet vergeten kan.
We zongen het destijds uit volle borst op de kermis, maar als we de tekst ergens lazen, schaamden we ons opeens een ongeluk. Want in de wereld van de Smartlap en het Levenslied gaapt een diepe kloof tussen zeggen en zingen.
De Smartlap kwam bijna altijd van het platteland en niet zelden uit Limburg. En als hij daar niet vandaan kwam dan kwam hij – vreemd genoeg - uit Amsterdam. Natuurlijk probeerden ze op de Gooise Matras in Hilversum er ook wel eens een te maken. Zo deed onsterfelijke Eddy Christiani een dappere poging die op de hitlijsten jammerlijk faalde:
Ja Paula danst met tranen in haar ogen
Dat doet zij steeds, als zij een tangoliedje hoort
Dan denkt ze aan een droom die is vervlogen
Aan een illusie, een geluk dat werd verstoord
Want bij een tangoliedje kwam eens de liefde in haar leven.
Geen wonder dat de hitlijsten niet reageerden.
Ik zei het al, Stramproy en Weert (denk ook maar eens aan Johnny Hoes van ‘hup zei mijn simmetje daar gaat ie weer, door schoorsteen op en neer’) stonden met een stip bovenaan op de hitparade van het sentiment. Dan kwam, zoals gezegd, Amsterdam met Johnny Jordaan, Manke Nelis, Willy Alberti en, niet te vergeten, Tante Leen.
Om in de sfeer van het naderend Kersfeest te blijven citeer ik een van Tante Leens belangrijkste bijdragen aan de cultuur van de westelijke wereld.
Toen je wegging vroeg je lachend
Lieve kind, waarom zoveel verdriet
Tis niet voor het eerst dat ik op reis ga
Jou vergeten doe ik niet
Je moet niet zoveel prakkiseren
geen narigheid in huis
Kom kindje, doe weg die tranen
Met Kerstmis ben ik weer thuis.
In smartlappen en levensliederen zit trouwens veel thuisgevoel, veel Heimat en heel veel chauvinisme.
Neem voor de aardigheid het Sinterklaasgedicht waarvan wij Limburgers ons volkslied hebben gemaakt.
Waar int bronsgroen eigenhout
Nachtegaaltje zingt
Over ut malse korenveld
Tlied des leeuwriks klinkt
Zolang je het zingt is er weinig aan de hand, maar zeg je het dan is het niet meer om aan te horen
Overigens, nu we het toch over het Limburgse volklied hebben, wil ik u nog een aardig nieuwtje verklappen, als dat even mag.
In het CDA Limburg gaan stemmen op het Bronsgroen Eikenhout niet meer te zingen. Dat komt door staatsecretaris Henk Bleker, u weet wel, de man van de natuur, die zoveel op de televisie komt, en die dan met zijn reebruine ogen niet alleen de jager, maar tot overmaat van ramp ons allemaal aankijkt en die, zo te zien, zijn gezicht elke morgen wast met een niet helemaal frisse smartlap, kortom, de Johnny Hoes van de christendemocratie.
Als deze man niet binnen een week wordt weggejaagd, dan houden we geen bronsgroen eikenhout, geen nachtegaaltje, geen mals korenveld, laat staan een lied des leeuweriks over.
Dus wil het CDA er nu van maken:
Waar in Limburgs megastal
Het krijsen van de fokzeug klinkt
En over het mest beladen land
Het naar kippekoeienvarkenskeutels stinkt
Maar dit even tussendoor.
Wat mij het meeste aan de smartlap en het levenslied hindert is de inwisselbaarheid ervan. Als je uit tien van dit soort gezangen wat afzonderlijke regels en zinnen haalt, die op een willekeurig manier achter elkaar zet, er hier en daar een enkel woord aan verandert en het rijmwoordenboek er bij haalt, ontstaan moeiteloos tien nieuwe smartlappen en levensliederen. Zo houdt het genre zich nog eeuwenlang op de been en komen we er godbetert nooit meer vanaf.
Luister maar:
Je moet niet zoveel prakkiseren
Aan het strand stil en verlaten
Waar een blond gelokte jonge jager
zeer vol weemoed en gelaten
een vervlogen droom beleeft voortaan
bij het telkens scheerm´ren van de maan.
Ik vroeg het al zo vaak, het doet me zeer
Vreemde mensen zeiden het al honderd keer
Jou vergeten doe ik niet
Als men daar een aardig paartje ziet
Want waar zij in ‘t bronsgroen eikenhout
Zich aan een schone droom verstout
Als zij een tangoliedje hoort
En na zo menig keer te zijn bekoord
Verdrietig in haar blinde ogen kijkt
Waaruit moedersmart vol weemoed blijkt
Ze huilt naar schatting achttien lentes telkenmaal
Haar zoete tranen stromen in dit droef verhaal
En met het nachtegaaltje in haar ogen danst voor immer
De blonde jagersman, zij vergeet hem nimmer
Haal geen lied des leeuwriks in huis
Want met Kerstmis ben ik zeker thuis
Dus sprak je mij aan met lachend blij gezicht
Met twee reebruine ogen vast op mij gericht
Je zong het wenend daar bij die brug
Lieve kind, kom over ’t malse korenveld naar mij terug
Want hup mijn simmetje daar gaat ie weer
Door de schoorsteen op en neer
Ach vaderlief, toe drink niet meer