Column voorgelezen in Thorn Metronoom
Zondag
13 december 2009

KRIMP

Limburg sterft uit. Of beter gezegd: wij Limburgers sterven uit. Als babyboomers beginnen we om te vallen en onze weinige kinderen hebben op hun beurt al helemaal geen kinderen meer. In Maastricht noemen ze de aanstaande ontvolking van de steden en dorpen in deze provincie ‘krimp’. Maar dat is een te net en vooral veel te misleidend woord om de bevolkingsrampramp te verhullen die op het punt staat zich in deze gewesten te voltrekken.
  
Het grote nieuws is dat tot voor kort bij de provincie een paar scenario’s klaar lagen die in de totale ontruiming en sloop van het Limburgse platteland voorzagen. Alleen in Maastricht, Heerlen, Roermond en Venlo zouden nog een paar van de laatst overgebleven Limburgers mogen wonen, zo werd gedacht.

Maar toen vond godzijdank de verkoop van Essent plaats en met de honderden miljoenen die dat opbracht wil men nu vooral de dorpen – waar straks vrijwel niemand meer woont – kunstmatig overeind houden. Volgens voorlopige, maar nog strikt geheime plannen die gouverneur Frissen per ongeluk aan mij heeft laten uitlekken, ontstaat dan een reservaat dat waarschijnlijk ‘Mien Limburgs Landj’ komt te heten. U moet zich dat voorstellen als een soort Maastrichtse Heiligdomsvaart of als een Oud Limburgs Schutterfeest, maar dan zonder deelnemers en publiek.

Wat ik u eveneens kan onthullen – want dat heeft gedeputeerde Ger Driessen hoogst persoonlijk aan mij laten uitlekken – is dat een bekendeconsultancy-firma in het geheim een diepgaand leefbaarheidsonderzoek naar de gekrompen toekomst van Limburg heeft uitgevoerd en dat daarbij Thorn, jawel Thorn, als wetenschappelijk model heeft gediend.

Alle resultaten van deze studies over de krimp van Thorn staan intussen op papier, maar ik kan en mag u daarover helaas geen mededelingen doen. Maar naar goed Limburgs gebruik stuur ik u niet met lege handen naar huis en ik speel ik u graag enkele saillante details in handen. Zodat u weet wat er boven uw hoofd hangt.

Volgens de onderzoekers is Thorn nog net groot genoeg om niet volledig te slopen, maar ook net te klein om er nog meer dan dertig mensen te laten wonen.

Een van de belangrijkste aanbevelingen uit genoemde studie is dan ook dat alle gebouwen en huizen die na 1850 in Thorn zijn gebouwd, moeten worden afgebroken. Zo blijft alleen het zogenaamde Witte Stadje over. Maar ook dan zijn er nog huizen te veel voor de zeer sterk gedecimeerde bevolking. Inde  studie wordt daarom de mogelijkheid geopperd om veelplegers en andere wetsovertreders die van de rechter een werk- of taakstraf opgelegd hebben gekregen, die in Thorn kunnen uitvoeren, zodat de naïeve bezoeker of toerist denkt dat hij in een dichtbevolkt, actief en ijverig stadje vol vredige inwoners terecht is gekomen.

Worden deze plannen niet uitgevoerd, dan ontstaat hier ter plaatse een hoogst dramatische situatie die in het onderzoeksrapport in schrille kleuren wordt beschreven. We zien dan een onbruikbaar en nutteloos geworden Thorn dat slechts dankzij de Essentmiljoenen nog de schijn van leven moet wekken.

Zo stellen de onderzoekers voor de nog bestaande basisschool in tact te houden, maar af te zien van lessen in rekenen, taal en schrijven en daarvoor in de plaats didactisch materiaal te ontwikkelen om de drie of hooguit vier overgebleven kinderen te leren hoe ze in een uitgestorven stadje, verstoken van leerkrachten en geheel aan zichzelf overgeleverd, overeind kunnen blijven.  

Natuurlijk wordt ook ruim aandacht besteed aan de eens zo roemruchte Geiten en Bokken. De algemene verwachting is dat daarvan alleen nog maar tweeelkaar naar het leven staande  blaasduo’s zullen overblijven die – als ze op concours gaan – worden aangevuld met één geleende muzikant die wordt betaald uit de Essentpot. Want volgens het concoursreglement van de eveneens zeer gekrompen Limburgse Muziekbond zijn bij concoursdeelname maximaal drie muzikanten toegestaan.

Ook met andere verenigingsproblemen houdt het onderzoek zich omstandig bezig. De van de twee schutterijen is slechts één Bieleman overgebleven die een fietskarretje met zich meevoert met daarop een luidspreker waaruit het geluid van een trommel- en fluiterkorps klinkt.

De raad van Elf van de plaatselijke carnavalsvereniging is samengesteld uit slechts één persoon die gedwongen is niet alleen voor altijd aan te blijven, maar ook nog als vorst, prins en dansmarietje moet fungeren en bovendien verplicht is tussen de Elfde van de Elfde en Aswoensdag ongeveer zestig vaten bier te nuttigen. Hij zal als enige in de jaarlijkse carnavalsoptocht meelopen, maar ook als enige toeschouwer bij dat evenement aanwezig zijn.

Ook wordt in het rapport onder meer gewag gemaakt van allerlei  sociale en culturele conflictsituaties die zich hier straks gaan voordoen. Zo is het volgens de onderzoekers alleszins denkbaar dat de laatste huwbare Thorner jongeman geen Thorns meisje meer kan trouwen. Er is weliswaar nog één jongedame voorhanden, maar die slaat toevallig de Dikke Trom in het blaasduo dat nog van de Geiten is overgebleven. En aangezien de jongeman een Bok is, moet hij zijn heil helaas elders gaan zoeken, ver voorbij Wessem, Heel of Hunsel, waar trouwens ook al bijna geen meisjes meer zijn.

En tenslotte: de onderzoekers besteden ook aandacht aan hoe het verder moet met Thorn Metronoom. De verwachting wordt uitgesproken dat straks alleen de heer Peter Bokken overblijft die dan zowat 125 jaar oud is. Hij zal Thorn Metronoom niet alleen elke vijf weken organiseren, maar hij zal er ook alleen optreden en zelfs piano spelen voor een publiek dat uitsluitend uit hemzelf bestaat. Voorts draait hij een plaatje met een stokoude column van de reeds lang geleden gestorven en geheel vergeten Jo Wijnen. En na afloop zal de heer Bokken met een mandje in de hand bij de uitgang plaatsnemen waarin hij dan een bedrag van vijf euro deponeert dat hem uit de Essentpot wordt vergoed.   

Of het waar is wat ik hier heb onthuld, vraagt U? Houd het er maar op dat het allemaal aan mij is gelekt door zulke vooraanstaande, goed geïnformeerde en krachtdadige autoriteiten als gouverneur Frissen en gedeputeerde Driessen. Dat beide heren al veel vaker dingen hebben gezegd die nergens, maar dan ook nergens op sloegen en die later in alle toonaarden moesten worden ontkend, moet u natuurlijk wél in uw overwegingen betrekken.
Want het feit blijft dat de grootste krimp zich tot dusver heeft voltrokken tussen de oren van diegenen die onze bazen en bovenbazen zijn, maar die we natuurlijk wél zelf hebben gekozen.
En let tenslotte op mijn woorden: de Essentmiljoenenpot zou onze redding kunnen zijn, maar wordt geheid onze ondergang.