Column voorgelezen in Thorn Metronoom
Zondag 23 oktober 2011

 

Prachtsmoezen

 

Door Jo Wijnen

Toen ik een jaar of veertig geleden als jongmaatje in de journalistiek begon, moest ik vaak erg vervelende klussen opknappen. De wereld had toen haar onschuld nog niet verloren en de dingen zaten buitengewoon eenvoudig in elkaar. Als toentertijd een burgemeester uit het rayon waarin ik werkte iets met een dame had uitgevreten, dan belde ik hem met lood in de schoenen en met knikkende knieën op. Ik groette hem eerst uiterst vriendelijk, vroeg hem vervolgens hoe het met hem ging en zei dan dat ik hem een uiterst vervelende kwestie moest voorleggen. Waarop ik meteen van wal stak: ‘Is het waar burgemeester dat u een intieme liefdesrelatie hebt met een enige vrouwelijke lid van de gemeenteraad?’.

 

Het werd doodstil aan de andere kant van de lijn. Dan volgde het antwoord: ‘Nu ja, ziet u eens, mijnheer Wijnen, kijk eens, wat ik wil zeggen is - hoe moet ik dat precies onder woorden brengen? - mijn echtgenote, die mij natuurlijk zeer dierbaarder dan wie ook is, dat zult u begrijpen, weet het nog niet. En daarom zou u misschien nog een jaartje of zo met publiceren kunnen wachten, nietwaar’.

Er waren trouwens ook toen al flinkerds die bij dat soort confrontaties met meester Moskowitch dreigden, dan de hoorn op de haak smeten en twee minuten later briesend de hoofdredacteur belden die mij dan op het matje riep. Wat niet verhinderde dat twee dagen later toch een mooi verhaal in de krant stond.

 

Mijn arme collega’s van nu hebben het veel moeilijker. Als die een burgemeester met dezelfde vraag over dezelfde dame bellen, antwoordt de ambtsdrager doodleuk: ‘Mijnheer, dat is een vraag die u niet aan mij, maar aan het enige vrouwelijke lid van de gemeenraad moet stellen.’

Als mijn collega’s zulke antwoorden krijgen, weten ze zeker dat de burgemeester ooit een vijfdaagse cursus ‘Omgaan met de media’ heeft gevolgd in een duur golfhotel in Het Gooi, inclusief sauna, modderbaden en fitness. Daar heeft de edelachtbare, op kosten van de gemeenschap, geleerd hoe hij – in geval van nood - een paar gestandaardiseerde prachtsmoezen moet verzinnen.

 

Als vroeger een wethouder een goede vriend had bevoordeeld, onterechte bouwvergunningen had verleend en met de opbrengst daarvan huizen van plezier had bezocht, zei zo’n man eerst tegen mij dat het niet waar was en dreigde dan met meester Moskowitch, wat dat deden ze allemaal in die tijd. Dan zei ik dat ik meester Moskowitch persoonlijk goed kende en dat ik hem zélf wel even zou bellen. Aan de andere kant van de lijn viel dan een pijnlijke stilzwijgen, gevolgd door een diepe zucht. Pas dan zei de wethouder: ‘Mijnheer Wijnen, ik stel voor dat u maar eens moet komen praten’. Wat ik ook altijd deed.

Maar diezelfde wethouder zou vandaag de dag tegen mijn collega’s zeggen: ‘Ik herken mij in het geheel niet in uw kritiek’. En als hij door de gemeenteraad dan toch wordt weggestuurd, dan laat hij zich bij de volgende verkiezingen weer met voorkeursstemmen op het pluche hijsen. Want wij kiezers zijn meestal nog veel erger en dommer dan hij.      

 

Als vroeger een projectontwikkelaar alle leden van het gemeentebestuur met hun dames trakteerde op een weekje in een luxe-resort op de Canarische eilanden om een veel te duur project in de wacht te slepen, en ik belde de goedgeefse man op om hem met de feiten de confronteren, zei die altijd: ‘Wij projectontwikkelaars dienen uitsluitend het openbaar belang. Wij zijn er voor de mensen, begrijpt u. Geld verdienen doen wij met dat soort projecten niet. Ik heb er in het onderhavige geval zelfs een paar ton op toegelegd. En verder neem ik vandaag nog contact op met meester Moskowitch’.

Tegenwoordig zou zo’n man zeggen: ‘Uw krant hanteert een geheel andere realiteit dan ik doe’. Stelt u zich dat eens voor: een geheel andere realiteit dan al de bestaande. Reken maar dat je de volgende dag in een bekende Nederlandse kwaliteitskrant de bovenkop leest: ’Relativiteitstheorie van Einstein achterhaald’, met daaronder in chocoladeletters: ‘Limburgse projectontwikkelaar ontdekt tweede realiteit’. En de onderkop: ‘Ongelovige reactie van natuurkundigen in de gehele wereld’.

 

Als vroeger een hoge gezagdrager zich had versproken en in een vlaag van dronkenschap of verstandsverbijstering had gezegd: ‘Ik vind dat het koningshuis vandaag nog moet worden opgedoekt’ en ik belde hem daarover op, zei hij: ‘Stom, stom, stom. Gelooft u mij, mijnheer Wijnen, ik zit me hier de ogen uit mijn kop te schamen. Ik zal Hare majesteit dan ook schriftelijk mijn nederige excuses aanbieden. Jazeker, dat kunt u zo in uw koerant zetten’.

Tegenwoordig krijgen mijn collega’s te horen dat de gezagsdrager een reactie per e-mail zal geven. Als die een paar uurtjes later binnen komt, lezen mijn collega’s: ‘De door u genoemde uitspraak is niet alleen in een onjuiste kontekst geplaatst, maar is ook verkeerd geciteerd en er is daarenboven een buitenproportionele interpretatie aan gegeven’.

 

Als een vasthoudende collega er toch nog een telefoontje aan waagt en de hoge gezagdrager voorhoudt dat hij zijn gewraakte uitspraak wel degelijk heeft gedaan, roept de brave borst: ‘Ik zeg u een-op-een dat wat ik gezegd heb, gezien moet worden in het kader van het integrale integriteitstraject dat wij hier hebben uitgerold. Voor het overige wens ik met u nog slechts via meester Moskowitch te communiceren’.

Dames en heren, let vooral op de nieuwste modewoorden ‘een-op-een’, ‘integraal, ‘integriteitstraject’ en vooral ‘uitrollen’. Als u die woorden niet gebruikt, bent u niets en niemand. Maar dit even tussen haakjes.      

 

Vroeger viel er te praten, of ruzie te maken of meester Moskowitch te bellen die meestal van niets wist en wiens naam dan ook zeer ijdel werd gebruikt. Maar tegenwoordig ga je,  geheel volgens datgene wat je op de cursus ‘Omgaan met de media’ hebt geleerd, keihard in de tegenaanval met opmerkingen als ‘de krant plaatst op een ongepaste en suggestieve wijze bepaalde feiten in een sterk vertekend perspectief’. Of, als de krant dan toch met harde bewijzen aan komt zetten: ‘De aangevoerde feiten zijn ten onrechte gebruikt en op een laakbare wijze en zonder enige samenhang gepresenteerd’.  

En als dat niet helpt laat je een goede kennis of een politieke vrind door de brievenbus van de betreffende journalist plassen, een kist rotte tomaten door het voorraam van zijn huis gooien of een dooie kat door zijn wc-raampje naar binnen werpen. Of je zet op je website dat de informanten van de krant lichtekooien c.q. meisjes van plezier zijn. Of dat onverwijld contact wordt opgenomen met meester Moskowitch.

 

Ach, zegt men tegenwoordig vergoelijkend, de omgangsvormen zijn wat harder geworden en de druk op diegenen die een publieke functie hebben is soms wat te zwaar. Maar we weten al uit de Bijbel dat altijd de boodschapper wordt onthoofd voor de kennis die hij draagt.  

Tenslotte heb ik nog een zeer dringend verzoek aan u allen, een verzoek dat u bovendien als een ernstige waarschuwing dient op te vatten. Ik verbied u namelijk bij deze met niemand, en al zeker niet met de media te praten over wat ik hier vanmiddag heb gezegd. Doet u dat toch, wees er dan van verzekerd dat ik ‘een-op-een’ een integraal integriteitstraject tegen u uitrol en dat ik onverwijld contact opneem met meester Moskowitch.

 

Het is maar dat u het weet!