Column voorgelezen in Thorn Metronoom
Zondag 5 februari 2021

 

De eenzaamheid van een

onsportieveling

 

 

U wist het waarschijnlijk nog niet, maar ook ik heb ook mijn beklagenswaardige en tragische kanten. Want ik houd niet van sport, doe niet aan sport en weet niks van sport. Ik ken geen  kampioenen, geen winnaars en geen recordhouders. En omdat ik daar allemaal niks van weet, voel ik mij soms moederziel alleen op deze wereld. Want al mijn medemensen houden wel van sport, doen aan sport en weten alles van sport. Die weten wat een tiebreak, een dubbele axel, een salto op de balk, een lob, een volley, een tweede paal, een klapschaats, een bolletjestrui, een vier zonder stuurman, een groot verzet, een homerun en een buitenspelval is Ik niet.
Vooral als ik naar de radio luister val ik soms in een zwart gat van onwetendheid. Dan zit ik in alle onschuld naar het nieuws te luisteren als opeens wordt overgeschakeld naar een stad waar ik nooit van heb gehoord. Een verslaggever vraagt dan aan iemand.
‘Robert, je kwam alweer net iets te kort in de sprint. Waar ligt dat aan?’
Ik hoor een naar adem happende man die zoiets zegt als:
‘Jaaaa, weet je, jaaaa, ik zat helemaal voorin, weetje, maar eeeeh de tostesteron jaaa begon net te laat te werken, jaaa, eeeeh, normaal gebruik ik bloeddoping, maar ik had onderweg net geplast en nog wat clenbuterol gepakt eeeeh, jaaaa en toen zat die Italiaan voor me, en dan eeeeeh, jaaaa, kom je te kort. Ik had eeeeh, jaaaa eeeeh veel beter anabole steroïden kunnen eeeeh spuiten …,’

En dan ga je snel weer terug naar de studio in Hilversum en hoor je weer de veilige, vertrouwde en nette mededelingen over bijvoorbeeld een stuk uitgekotst halalvlees, maar dan wel van een Turks varken.

Of je zit in de auto naar zo’n gezellig telefoonspelletje van Radio 3 te luisteren. Maar net als Miep van Baal uit Hansweert op het punt staat het juiste geluid te raden, wordt overgeschakeld naar Hamar of naar Kaapstad, waar Jet Janssen, die een minuur geleden over de finish kwam, met de microfoon nog halverwege haar keel roept:
‘Klote, dubbel klote. Ik zat vlak achter haar en dan klote, dan gaat ze naar links als ik net aanzet. Ik voel me echt heel erg klote dat ik haar niet kon pakken, dit is de klotigste dag uit mijn carrière, echt dubbelklote!’.
Het ergste is nog dat Miep van Baal uit Hansweert intussen het juiste geluid geraden heeft in het telefoonspelletje van Radio 3, maar dat jij dat vanwege Jet Janssen net hebt gemist. Over ‘klote’ gesproken.

Nu weet ik ook wel dat je van sportlieden niet alles mag verwachten. Stel je voor dat een verslaggever aan de razendsnelle onderwijskampioene Marja van Bijsterveldt vraagt: ‘Marja, hoe kwam het dat je het peloton ook nu weer niet meekreeg op het beslissende moment’, en dat Marja dan antwoord:
‘Mijnheer de voorzitter, ik moet de geachte afgevaardigden er op wijzen dat de sprint bovenmatig vroeg werd aangetrokken, hetgeen een-op-een betekent dat de beleidsstrategie die mijn ploeg had uitgerold het onmogelijk maakte de eindoverwinning tijdig te realiseren binnen het door de publieke opinie ter tafel gelegde eisenpakket’.

Nee, de sportlieden kun je zoiets niet kwalijk nemen. Die krijgen een microfoon onder hun neus geduwd op het moment dat de laatste doping nog uit hun oren gutst. Het ligt volgens mij aan de verslaggevers die maar wat roepen. Want wat iemand  die niet van sport houdt, niet aan sport doet en niets van sport weet, op de radio hoort is meestal zoiets als het volgende:

‘Klaas Bot brak in de twintigste set door met een sterke backhand, hij raakte net niet de wissel en stond halverwege  op twaalf minuten, twintig en een zestienduizendste van een seconde, toen de grensrechter  afvlagde, en de sterke, maar kleine en tanige man uit IJsselmuide er toch nog in slaagde binnen het schema te blijven van de jonge en onvergetelijke , nu 112-jaar oude Oekraiense athlete Navratilova Bolsjoiskaja die op de Spelen van 1948 in maar liefst een zesenveertigste van een seconde vanuit het strafschopgebied de legendarische hoogte haalde van zeventwintig meter, acht en negentig centimeter en drie-en-veertig duizendste van een millimeter op de tweede paal, en toen, met een enorm verzet van 172-13, een absoluut baanrecord bij de vrouwen op de borden liet schrijven, terwijl onze eigen, zeer kleine, maar tanige en ook sympathieke Klaas Bot – wat steekt onze man uit IJsselmuide in een uitmuntende vorm!!!  - op het juiste moment kon weglopen uit de kopgroep met een moyenne van 101 en een half, daarmee de Argentijnse favoriet Habanera Bolero, dertig en een-vier-tiende van een seconde in de vierde set net een banddikte voor wist te blijven en zo een tiebreak kon forceren, waarna hij met zijn ijzersterke service de grote Limburgse beugelkampioen Sjeng Heijnen met een uitgekiende vrije trap een halve ronde wist voor te blijven op het kunstgras hier in het zonovergoten Wladiwistok. Hij zit erin! Hij zit erin!
En daarom nu snel terug naar de studio in Hilversum’.

Nee, ik ben een eenzaam man die niet meer weet waar het over gaat, maar die wel vindt dat het Oud Limburgs, het LVK-liedjesconcours en de HaFa-Blaasmuziekconcoursen Olympische sporten moet worden. En dat geldt nog meer voor het buuttekampioenschap. Want dezer dagen hoorde ik op de radio – waar anders - de buuttereedner die voor de zevenenveertigste en een halve keer (een nieuw wereldrecord) tweede was geworden in precies elf minuten rond.

De verslaggever vroeg hem: ‘Alweer angerhalf puntj tekort veur ut kampioensjap, Joep. Wat geit d’r noe door dich hear?’
Zegt de man die Joep heet:
‘Ich hub gedoan waat ik kos. Maar toen de miense in de viefdje menuut begoste te lachen wis ich al det ich ut neet hoaldje. Den paktj dien timing verkierdj oet, den zitse op ut belangriekste moment – det is in de negendje minuut es ze geine aom tekort moogs koome - drie seconde gans plat, veural es de luuj den te hel lache. Den sjleit ut dich in de bein en kinse neet mier echt aanzitte voor de elfje minuut es ut werkelik mot gebeure. Det kostj dich den minstes angerhalf puntj en kan diene teagestenjer 191 puntje binne pakke.
Mer doa goan ich dit joar hel aan werke mit ein huegdjketraining oppe Cauberg, en ei wintjerkamp oppe kunstiesbaan in Remunj.  Den zol ze volgendj joar ins get zeen!’

Hoe het komt weet ik niet, maar ik ben dan altijd blij als de verslaggever roept: ‘Truk noa de studio in Mestreeg’. Want ik mag dan elke dag de eenzaamheid van de onsportieveling aan den lijve ondervinden, maar ik ervaar tegelijk een diep geluk omdat ik niet van sport houd, niet aan sport doe en niks van sport weet.