Column voorgelezen in Thorn Metronoom
Zondag 25 september 2011
WAT NIET DE MAAS OVER KAN

Door Jo Wijnen
Als er in mijn kinderjaren een nachtelijk onweer opstak, haalde vader mijn twee zusjes en mij uit bed en zette ons aan de tafel in de keuken waar het, volgens hem, het veiligst was. We keken slaperig naar het palmtakje dat al achter het wijwatervaatje vandaan was gehaald en dat nu bij de hand werd gehouden voor het geval er tussen de bliksem en de donderslag minder dat zeven tellen zaten.
Gebeurde dat, dan bad moeder de rozenkrans, terwijl vader sprenkelend door het huis liep, intussen de heilige Donatus aanroepend die natuurlijk geen kik gaf. Onze smeekbeden werden alleen onderbroken als vader zich naar de achterdeur waagde, die op de kleinst mogelijke kier zette en met de ogen dicht van angst, zogezegd naar buiten keek. Zijn heldenmoed werd meestal afgestraft door een vreselijke donderslag die gelijk viel met een verzengende bliksemflits. Hij rukte de deur dan panisch achter zich dicht en bracht ons met van schrik dichtgesnoerde keel de grote onheilstijding: ‘Kinjer, ut kindj neet de Maas euver’.
Ik heb nooit begrepen wat dat precies betekende. Het was een bijna mytische en ook mysterieuze uitspraak die – heb ik later ontdekt – niet alleen op nachtelijke onweren, maar op nog veel meer dingen sloeg. Het had te maken met iets dat zich op de bodem van de ziel schuilhield van mensen die ‘aan deze kant van de Maas’, dat wil zeggen op de westelijke oever ervan woonden. Niet alleen in mijn geboortedorp, maar ook in Kessel, Neer, Horn, Beegden, Wessem en misschien zelfs wel hier in Thorn, kon heel veel de Maas niet over. Wat het ook was: het stopte aan deze kant met de koppigheid van een paard dat blijft stilstaan voor een krijtstreep die kinderen toevallig over de dorpstraat hebben getrokken.
Aan de overkant van de Maas lag de stad, een gevaarlijk oord vol slimme middenstanders die je van de sokken praatten, zodat je later met bijvoorbeeld een spiksplinternieuwe broek thuiskwam die hoe dan ook veel te wijd of veel te nauw was, terwijl ze in de winkel nog prima paste.
Er waren zusters in het ziekenhuis die de Lof van God zongen door je af te snauwen of iets toe te bijten en je intussen ook nog behoorlijk pijn deden. Er waren chique en voorname mensen die over of langs je heen of anders wel op je neer keken. Er waren scholen die je niet kon volgen of waar je bleef zitten en waar de andere leerlingen je ‘boer’ noemden en zeiden dat je naar de stal rook.
En tenslotte was er de Kapel in het Zand waar je te voet heen moest als je ergens voor moest slagen of om te voorkomen dat je voor de tweede keer bleef zitten op die stadse school. De laatste keer dat ik er ter bedevaart ging en mij blaren aan mijn zondagse voeten liep, ging ik evengóéd niet over. Maar dat kwam vooral omdat ik op de Kapellerlaan niet bad en ook niet aan Onze Lieve Vrouw dacht, maar omdat ik er voor alles een glimp hoopte op te vangen van de even beroemde als beruchte Roermondse courtisane Francisca Hoen.
Aan de overkant van de Maas was ook het oosten, waar niks goed van te verwachten viel. Toen ik mij als puber met de net voorbije oorlog ging bezighouden en met mijn vader – jawel, diezelfde vader van het onweer dat niet de Maas over kon – kwam te spreken over hoe goed wij Nederlanders en hoe smerig de Duitsers wel niet waren geweest, antwoordde hij op dreigend afgemeten toon: ‘Jong, as wae hemelsbreid vieftien kilomaeter mier noa ut oeste haaje gewoendj, woere we Pruise geweast, den waas ich in Sjtaligraad euveroup gesjoate en doanao doedgevroare en woere we eavegood fout gewaes inne aorlog’.
Daar heb ik nog heel lang over nagedacht.
Natuurlijk heb ik mij toch over de Maas gewaagd, ik ben er naar school gegaan, ik heb er jaren gewerkt, ik heb er meisjes naar huis gebracht op de bagagedrager van mijn fiets, terwijl ze hun armen stevig om mij heen sloegen, wat de meisjes aan deze kant van de Maas niet zo gauw deden. Ik ben er naar films van Gary Cooper en Clark Gable gegaan. Na afloop liep ik dan een beetje wijdbeens en met de armen enigszins van mij af over de Hamstraat, want dat deden Gary Cooper en Clark Gable ook, ofschoon niet in de Hamstraat. En na de gelukzalige dag dat ik voor de eerste keer Marilyn Monroe op het witte doek van het Royal Theater zag, droomde ik nachtenlang onrustig en zelfs enigszins onkuis.
Maar ik heb er ook mijn eerste Mattheus Passion gehoord. En ben er godzijdank voorgoed van school gestuurd. Maar wat nog belangrijker is: ik heb er mijn eerste gedichten geschreven in de vergeefse hoop dat die geplaatst zouden worden in het sjieke schoolblad van het Bisschoppelijk College.
Toen ik vijf jaar geleden, met de lange vertraging van de onweren uit mijn kinderjaren, dan toch de Maas overtrok om in de stad te gaan wonen, trof ik in een al lang niet meer geopende doos zo’n gedicht aan, samen met het Middenstandsdiploma dat ik toch nog heb behaald en met een formuliertje waarop stond dat ik was goedgekeurd voor militaire dienst. Het gedicht was met de hand geschreven en er zat een getiepte standaardbrief bij van een uitgever die mij helaas moest laten weten dat mijn werk van onvoldoende kwaliteit was om een publicatie te rechtvaardigen.
Het heette: Swalmerstraat. En luidde als volgt:
Ieder pand heeft, behalve een huisbel
Een geheugen
En dieper de gang in, de keldertrappen af
Zelfs een kwaad geweten
Dat naar oud vocht ruikt en vlekken maakt
Die tot de nokbalk reiken
Schielijk teruggetrokken in de bezemkast
Waar de dienstmeid sliep
Soms samen met de knecht
De katjes in het donker
Het stiekem zuigen van een kus
Tot wat achter de mouw zat
Zoals een versleten huwelijk
Een buitenechtelijk kind
Een zoon die niet leren wilde
En een echtgenote die haar deftige mijnheer -
De hofleverancier, koninklijk onderscheiden -
Het liefste dood wilde, op stel en sprong
Een huwelijksbed op de etage
Waarin boze dromen zwanger werden
Desnoods ongewenst en afgebroken
De lust verkleed als vroomheid
De haat in pandjesjas en hoge zijde
De bloeddorst glanzend in een traan
De drift woelend in het burgerschap
Het was er leven op stand
Op grote voet en goed geluk
Dat is wat je ruikt en wat je huivert
Wat je en suite ziet uitgeruimd en afgedaan
Wat je hoort in het trappenhuis
Van de onbesproken reputatie, de goede naam
Geen gewetensnood
Alleen hardnekkig zwijgen
Een brave leegte achter elke deur
En dan, jawel, drie hoog, bovenaan
Een oude dame die avondjurken past
Uit een lege muurkast
U hoort het, die uitgever had natuurlijk het grootste gelijk van de wereld. En het stadsdichterschap van Roermond is, gehoord het bovenstaande, nooit meer voor mij weggelegd.
Anders dan de onweren, die tegenwoordig moeiteloos de Maas over kunnen, is er iets van mijzelf voorgoed aan deze kant gebleven, iets dat ik - nu ik ouder word - steeds beter begrijp en waar ik ook steeds minder bang voor ben. Een echte dichter – Willem Elschot - heeft het ‘de weemoedigheid genoemd die niemand kan verklaren, en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat’.
Het is het geluwde onweer dat zachtjes narommelt en wegsterft in een nacht waarin de vroege morgen alweer voelbaar wordt en een vroegtijdige merel alvast begint te fluiten. De palmtakjes en het wijwater hebben toch geholpen en de heilige Donatus heeft wel degelijk naar ons geluisterd, terwijl we aan de tafel in de keuken zitten, de minst gevaarlijkje plek. De stem van mijn lang geleden gestorven vader klinkt nu bijna vastberaden, standvastig, zonder enige trilling en vooral met bijna absolute zekerheid: ‘Kinjer, ut kindj neet de Maas euver’.