Column voorgelezen in Thorn Metronoom
Zondag 12 december 2010
KONINGINNEDAG

Op elke maandagmorgen ergens tussen negen en twaalf uur poetsen de burgemeesters van Nederland hun ambtsketen. Ze zitten dan achter hun bureau in het gemeentehuis met een pot Brasso voor zich en wrijven met een poetsdoek hun waardigheid op tot die weer glanst en schittert. Het zal u niet verwonderen dat dit vaak, heel vaak moet gebeuren, maar dat het doorgaans weinig helpt.
Gedurende de maand oktober is dat een extra spannend karwei. Want dan kan het gevreesde telefoontje komen. Er meldt zich aan gene zijde van de lijn dan iemand die zich bekend maakt als de hofmaarschalk en geheim kamerheer van het koninklijk huis, inzonderheid hare majesteit de koningin zelve. Hij zegt: ‘Edelachtbare Heer burgemeester, ik heb heel slecht nieuws voor u’.
‘Slecht nieuws?’, vraagt de burgemeester aarzelend terwijl hij zijn ambtsketen en zijn poetsdoek neerlegt.‘ ‘Jawel, heel slecht nieuws, want wij komen!’, roept de hofmaarschalk en geheim kamerheer.
‘Neemt u mij niet kwalijk, maarschalk, maar wat bedoelt u eigenlijk?’
‘Brave en edelachtbare man, op aanstaande Koninginnedag zal hare majesteit zelve, alsmede haar gehele familie inzonderheid haar hofhouding, haar verjaardag in uw gemeente komen vieren. Voorwaar heel slecht nieuws, zou ik zeggen!’
De burgemeester krimpt ineen, maakt een machteloos gebaar en waagt het te vragen: ‘Maar waarom precies mijn gemeente?’ Waarop de hofmaarschalk en geheim kamerheer zegt: ‘Vanwege de historische banden. Of hebt u zelf een betere reden?’
‘Maar welke historische banden dan?’, stamelt de burgemeester nu geheel ontdaan. Waarop de hofmaarschalk en geheim kamerheer op docerende toon zegt: ‘Juliana van Stolberg, de eerbiedwaardige moeder van Willem de Zwijger, ook wel Vader des Vaderlands genaamd, had een stalknecht wiens buitenechtelijk kind dienstbode was bij de Graven van Hoorne te Weert. Die buitenechtelijke dienstbode had een bastaardzus die elke morgen de nachtspiegel leegde van een stiftdame te Thorn, u wel bekend. Over historische banden gesproken, edelachtbare’.
Nadat de hofmaarschalk en geheim kamerheer de verbinding heeft verbroken, komt de burgemeester verslagen overeind uit zijn stoel. Drie folterende vragen plagen hem opeens: Een: wie gaat dit allemaal betalen, twee: hoe houden wij het koninklijk gezelschap bezig en drie: wat moet mijn vrouw bij die gelegenheid aantrekken?’
Hij strompelt naar de kamer van de gemeentesecretaris, zet zijn meest blije gezicht op en wekt deze functionaris, die net aan zijn maandagmorgendutje bezig is, met de woorden: ‘Ze komen!’
De rest gaat vanzelf. Het inderhaast opgetrommelde gemeentepersoneel heft nog één keer het volkslied aan, want het volgend jaar zijn ze allemaal wegbezuinigd. De gemeentesecretaris wordt nu écht wakker en belt de plaatselijke pers. ‘Ze komen!’, roept hij met gemaakte opgetogenheid uit. Wordt hem door de pers gevraagd waaróm ze komen, dan antwoordt hij: ‘Vanwege de historische banden’. En intussen wordt ook hij geplaagd door drie folterende vragen: ‘Een: waar halen we de eieren voor het eierlopen en de zakken voor het zaklopen vandaan, twee: mag ik de koningin straks ook een handje geven, en drie: wat moet mijn vrouw bij die gelegenheid aantrekken?’
Maar dat is allemaal niets in vergelijking met wat er op de vroege morgen van Koninginnedag zelf ten paleize in Den Haag gebeurt, waar de hele koninklijke familie bijeenkomt om naar het zuiden af te reizen. Er heerst daar een enigszins wrevelige, maar vooral zenuwachtige stemming. Alle aanwezigen vragen zich af of ze er ook nu weer in zullen slagen om een hele dag te doen alsof, terwijl het volk uitbundig juicht en jubelt, dans en zingt en met miljoenen tegelijk de straat op gaat, zwaaiend met vlaggen en gewikkeld in het vaderlands dundoek, intussen de gratis door de overheid verstrekte flessen oranjebitter leeg drinkend op de muziek van allerlei gezelschappen die pas kwamen opdagen nadat hen met intrekking van de subsidie was gedreigd.
De koningin zelf komt als laatste binnen. Pieter van Vollenhove kijkt vol ontzag naar haar majesteitelijke hoed die ook in familiekring vaak onderwerp van gesprek en nauwelijks verholen lachlust is. Hij stoot Margriet aan en zegt: ‘Ken jij de overeenkomst tussen de hoed van Trix en het tekort op de Rijksbegroting?’
Als Margriet vragend haar schouders ophaalt, zegt Pieter gevat: ‘Ze worden allebei steeds groter’.
Dan betreedt de hofmaarschalk en geheim kamerheer het vertrek. Hij draagt het koffertje bij zich dat door ingewijden het ‘staatsrechtelijk noodpakket’ wordt genoemd. Het zit vol met scharen om linten door te knippen, sleutels om nieuwe gebouwen te openen, flessen champagne om schepen te water te laten, sabels om ridders mee te slaan, drukknoppen om standbeelden te onthullen, lintjes voor als er onverwacht een onderscheiding moet worden uitgereikt aan Oranjeklanten die al tienduizend keer ‘Oranje Boven!’ zongen, en tenslotte ook een honkbalknuppel voor het geval de kabinetsformatie niet wil vlotten.
De hofmaarschalk en geheim kamerheer springt in de houding, salueert en begint aan zijn zogenaamde briefing, zodat iedereen weet wat hem of haar aan vreselijke vermakelijkheden te wachten staat. Als hij het woord ‘zaklopen’ laat vallen roept Mabel met een meisjesachtig gilletje uit: ‘Toch geen naakte mannen, hoop ik’.
Vervolgens passeren vertrouwde folkloristische termen als ringsteken, eierlopen, bokspringen, vendelzwaaien, vogelschieten, volksdansen, taartgooien, buutereednen en vlaaieten de revue. Als de hofmaarschalk en geheim kamerheer ‘het witte stadje’ ter sprake brengt, zegt Leontien verontwaardigd dat ze veel te luchtig gekleed is voor de wintersport. En als hij de Geiten en de Bokken noemt, maakt de kleine Amalia een vreugdesprongetje en roept: ‘Gezellig naar een dierenparkje’.
‘Zijn er nog vragen?’, wil de hofmaarschalk en geheim kamerheer weten. Nu komt Maxima overeind uit de chaise longue waarop ze al die tijd de mooiste, de meest bekeken en de meest geliefde van het hele stel heeft liggen wezen.
Ze vraagt: ‘Moeten jullie mij toch eens vertellen waarom Ma – koningin Beatrix dus – haar verjaardag vandáág viert en niet op haar échte verjaardag’.
Het is opeens doodstil. Dan zegt de koningin met een soeverein lachje om haar lippen en haar hoed voorzichtigheidshalve stevig vasthoudend: ‘Ik vier vandaag mijn verjaardag omdat ik mij mijn echte verjaardag liever niet laat bederven’.
Iedereen kijkt geschrokken om zich heen, alsof de constitutionele crisis in ons staatsbestel een voldongen feit is. En terwijl het koninklijk gezelschap zich naar de helikopter begeeft die in de paleistuin gereed staat, neemt hare majesteit nog één keer het woord. Iedereen gaat om haar heen staan en luistert eerbiedig. Dan zegt ze: ‘Landgenoten, ik wil u op dit moment en op deze blijde en feestelijke dag van licht en vrede nog één keer de wijze uitspraak van de grote Nederlandse schrijver Simon Carmiggelt in herinnering roepen. Die uitspraak - die gij nimmer moogt vergeten - luidt: ‘Op Koninginnedag heerst er een algemene vreugde, die door niemand wordt gedeeld. Ik heb gezegd’.
Iedereen begrijpt het. Waarna het gezelschap zich naar het zuiden begeeft waar een burgemeester zeker weet dat hij, als dit achter de rug is, voortaan op elke maandagmorgen ongestoord en door niemand meer gehinderd zijn ambtsketen kan poetsen.