Column voorgelezen in Thorn Metronoom
Zondag 18 oktober 2009

ALTE KAMERADEN

Juist omdat het niet bestaat, kan het toeval mij soms vreemde streken leveren. In mijn kinderjaren baatte mijn vader in Haelen de plaatselijke dorpszaal uit; voor een kind een wonderlijk oord waar alles gebeurde wat in deze wereld belangrijk was. Althans, dat dacht ik toen. Eén keer in de week repeteerde de fanfare bij ons thuis, wat voor mij een altijd terugkerende sensatie was. Ik lag dan al in bed, maar de muziek drong tot in alle kieren en gaten van het achterkamertje waar ik sliep door. Ik hoorde het brommen en knorren van de bassen en het bonken van de dikke trom. Maar ik hoorde daar bovenuit ook de bugles en de pistons die zich een weg baanden door soms veel te moeilijkje thema’s en melodieën die dan ook eindeloos werden herhaald en geoefend of door de dirigent met overslaande stem werden voorgezongen. Zo komt het dat mijn hoofd tot op de dag van vandaag volzit met vergeten ouvertures, balletten, suites en vooral marsen, jawel marsen. Want zonder mars geen fanfare en zelfs geen blaasmuziek.

Een zichzelf respecterende vereniging studeerde natuurlijk ook de destijds zeer populaire, hoewel in de oorlog enigszins bezoedeld geraakte mars AlteKameraden in. En dus behoort die tot de vaste inventaris van mijn muzikaal geheugen. Ik kan hem als het ware van voren naar achteren zingen, maar ook van achteren naar voren als het moet. Niet dat ik hem zo mooi en zo indrukwekkend vind, maar hij vormt om zo te zeggen het achtergrondgeluid van mijn kinderjaren, hij hoort ook bij dat achterkamertje, bij de sfeer die er op de repetitieavonden van de fanfare hing en die zich met geen mogelijkheid laat beschrijven, maar die zich evengoed in mij heeft vastgehecht en die ik nu als iets onvergetelijks beschouw, als iets kostbaars, als iets dat gaandeweg bij mij is gaan horen.

Het toeval bestaat niet! Maar toch….
Een paar weken geleden was ik in Potsdam om het paleis Sanssouci van Frederik de Grote te bekijken, een roomsoes die op een heuvel net buiten de stad is gebouwd en die het nogal opgeblazen levensgevoel van het oude Pruisen ademt en dus van een Duitsland dat gelukkig niet meer bestaat.

Na de bezichtiging liep ik terug naar de stad en streek neer op het terras van restaurant ‘Babette’. De zon scheen. Ik zat prinsheerlijk in het gefilterde licht onder de platanen vlak bij de Brandenburger Tor die ze daar van Berlijn hebben nageaapt of Berlijn van hen, dat ben ik vergeten te vragen. Op zoek naar de grootste Schnitzel en het hartigste bier, trof ik op de menukaart het portret van de vrouw aan naar wie het restaurant was vernoemd. Babette – want het mag duidelijk zijn dat ze zo heette - was een levenslustig ogende dame van net nog geen middelbare leeftijd, blond, en aan haar kin te oordelen, enigszins mollig, maar nog steeds op een Pruisische en dus kordate manier mooi. Er lag iets van een vage, verstolen glimlach om haar mond en ook een vreemde hooghartigheid die zich niet helemaal verstond met de onmiskenbaar sensuele blik waarmee ze mij aankeek.

Er stond een heel verhaal bij die foto. En wat bleek? Babette was de echtgenote van niemand minder dan Carl Teike. En Carl Teike is de componist vanAlte Kameraden. Hij woonde jarenlang in Postdam en was daar lid van de Königliche Schutzmannschaft.

Inderdaad, ik zette de mars – die ik nog steeds tot op iedere noot en tot op elk akkoord ken – meteen in, waarbij ik met de ene hand de maat sloeg en met de andere op het tafeltje voor mij bonkte. Mijn vrouw Roos, die gelukkig bij mij was, deed vergeefse pogingen mij tot bedaren te brengen. Want de terrasbezoekers keken verstoord, geamuseerd en ook een tikkeltje medelijdend mijn kant uit: de Blöde Kerl die zich niet meer kon beheersen, die het in zijn kop was geslagen en die misschien wel dringend hulp van een dokter nodig had, wie weet.

Maar ik móést het even kwijt. Het ging vanzelf. En ik kon het op dat moment dan ook niet meer laten. Nee, de mars zelf stelt verder niet zoveel heel veel voor, hoewel hij Carl Teike destijds wereldberoemd maakte. Zijn muziek is geschiedenis geworden. Het is het geluid van een tijd die godzijdank voorbij is, maar die af en toe nog heel nadrukkelijk door ons hoofd spookt of onze herinneringen verontrust. De paradepas hebben we afgeschaft of naar Noord-Korea geëxporteerd. En het militair uniform is gaandeweg een clownspak geworden.

Maar wat op dat moment, op dat terras in Postdam gebeurde, terwijl ik verrukt naar het portret van Babette staarde, is niet zo goed verklaarbaar en toch ook weer wel. Want de herinnering aan Alte Kameraden haalde mijn geheugen totaal overhoop. Alles was er weer: de avonden dat ik als kind naar de fanfare luisterde die zich moeizaam van de ene passage naar de andere repeteerde en daar nog steeds mee bezig was als ik allang sliep, het achterkamertje waar mijn ijzeren ledikant  stond dat door een spaarlampje in een groenachtige schemering werd gedompeld, de eigenaardige zindering die er hing omdat de muziek uit de muren, het plafond en de vloer leek te komen, de roes waarin ik terecht kwam vooral als ik te lang meezong, de onschuldige vergetelheid die het begin van een vredige en gelukzalige rust was, de slaap die tenslotte alles ongedaan maakte, behalve de muziek die nooit meer echt ophield en die er eigenlijk nog steeds is, tot op de dag van vandaag.

Ach, het is allemaal meer dan zestig jaar geleden. Maar niets is houdbaarder en kostbaarder dan kindergeluk. Als je het écht hebt gehad, blijft het een stuk van jezelf, ben je voor altijd beschermd en voor de rest van je leven geborgen. Maar als je het nooit hebt gehad, blijft het een niet meer goed te maken gebrek, een tekort dat je met geen mogelijkheid te boven komt.

Zo zat ik daar bij ‘Babette’, iets te luid zingend, iets te hard op de tafel bonkend. Ik was weer kind, ofschoon niet langer dan de paar minuten dieAlte Kameraden duurt. Misschien heeft men het in Potsdam nog steeds over der Alte Holländische Kamerad die het daar op zijn heupen kreeg. Dat moet dan maar.  De Schnitzel en de halve liter bier die ik had laten aanrukken legden mij snel het zwijgen op.
Maar het geluk duurde nog urenlang.